De nieuwe school
De nieuwe school (1955)
Gerrit Thomas Rietveld. Bruikleen 1985.
Dit object is nu niet in het museum te zien
Toelichting
Inhoud tekst (op basis van OCR)
een twee drie vier vijf zes zeven acht negen TINE Tine's taal initiaal antiqua fraktur rustica karolinger minuskel rotunda laatste keer niet meer en nu.... allemaal speeches handen schudden nog meer speeches handen schudden lekker eten déég déég TINE Bedankt I Tine Baanders U vroeg me iets over Tine Baanders te vertellen in verband met het feit, dat ze dit jaar de school zal gaan verlaten wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Nu is het gemakkelijk genoeg om over Tine Baanders te schrijven, de naam roept aandoeningen en gevoelens te over op, maar de spontane reactie wordt teniet gedaan door de tweede helft van de zin, zoals het gonzen van een aangeslagen, kristallen glas verstomt als men er de hand op legt. Toen wij verleden jaar op haar verjaardag in de overtuin aan de Baambruggese Ang-stel zaten, tegenover het hoge witte huis dat zij zo kernachtig persoonlijk weet te bewonen, toen ontdekten wij dat ik mij tot een van haar vroegste vriendinnen mocht rekenen. Reeds in 1918 kruisten onze wegen elkaar. Is het gezichtsbedrog, dat een mens, zelf verouderd, de veranderingen niet ziet gebeuren in hem of haar, die dezelfde weg gaat op het levenspad? Ik geloof dat dit niet het geval is. Anderen zag ik wel degelijk vervallen en verwelken, maar Tine ?.. ' U zult me toch moeten toegeven, één ding is volkomen ongeschonden gebleven, haar vitaliteit! Hebt ge wel eens gevoeld, wat het betekent Tine Baanders een hand te geven? Daarin trilt een hele gamma van hartelijke, degelijke, energieke gevoelens mee. Er is iets ferms, iets eerlijks in die greep. Iets wat kleingeestigheid en prullerij mijlenver uit de buurt houdt. Het woord kameraad is voor mij een tikkeltje aangetast door de ferme-jongens-stoere-knapen-mentaliteit van de met rugzakken beladen vóór-oorlogse marslus-tigen. Maar in dit geval verliest het woord zijn aanslag van belachelijkheid en raakt hersteld in heel zijn frisse kracht van betekenis. Ja, Tine is een kameraad, ze kan ook vriendin zijn, natuurlijk, maar ook haar vriendschap is doordrenkt van camera-derie. Bij vriendschap denk ik eerder aan iets wekers, wat hoort b'j hartsgeheimen in elkanders oor fluisteren. Bij Tine hoeft men niet te fluisteren, wat ze weet ze, ze raadt wat je op je hart hebt en kijk, daar stapt ze al met al haar moed naast je voort en leent je van haar levensvreugde. O, niet dat ze de moeilijkheden van het bestaan onderschat! Ik heb heus wel eens tranen in die klare ogen in die stoere kop gezien en dat waren niet tranen om eigen maar om anderer leed. Met haar eigen zwarigheden wil ze zelfs vrienden niet graag belasten. Maar ze deelt gul uit van haar verworvenheden. Heeft U Tine wel eens bloemen zien plukken in haar eigen tuin? 'Is dat niet schoon?' zegt ze als ze een bouquet overreikt. Ja, 'schoon' zegt ze, niet 'mooi'. En ze kan zich dat veroorloven, dank zij de stylering, waarvan heel haar leven doortrokken is. Want niet alleen haar grafiek draagt daar het kenmerk van, heel haar leven is ervan doortrokken, neem slechts haar smaak, die in haar kamerinrichting tot uiting komt met kloeke vormen en heldere ongebroken kleuren Koningsblauw, chromaatgeel. Zij is een groot liefhebster van de natuur. De vroege ochtend,' als ze uit haar woning treedt, dat prachtige voorhuis van een boerenhofstede, dat ze eens schaatsenrijdend, ontdekte, geniet ze van de lucht, van de dauw, en op precies dezelfde wijze houdt ze van kunst. Zover het in haar vermogen ligt heeft ze altijd kunstenaars gesteund al was het slechts door haar geestdrift, m#ar ook kocht ze kunstvoorwerpen waar het maar enigszins kon. Ze houdt van mensen, vooral van jeugd en ze is er altijd trots op geweest wanneer ze Anklang vond bij de jongeren. Het beëindigen van haar loopbaan als bezielend lerares zal haar zeker zwaar vallen. Maar bij een type als Tine Baanders kan men niet goed aan een einde denken, bij haar denkt men in termen van begin. Ik ben benieuwd welke 'schone' heerlijkheden zij nu weer zal aanboren, nu zij er de tijd voor krijgt. Jeanne van Schaik-Willing. vervolg van pagina 2 catie-middel moeten eigen maken, en hun visie moeten gaan léren opleggen aan de dingen, die de mens van 1955 omringen, dan denk ik aan deze droom, aan deze dwaasheid en werkelijk aan niets anders. Wie nu bereid is de droom verder met mij te vervolgen, zij er al eerst op gewezen, dat het bovenstaande o.a. de aanvaarding impliceert van de nieuwe media als volwaardige middelen tot artistieke expressie. De marge voor de kunstenaar om zich naar geloof, naar kracht en naar believen te uiten op een persoonlijke wijze is hier a priori niet kleiner dan in het ezelschilderij, de muurschildering of het beeld. De oude hiërarchie tussen de genre's (gebonden én vrije kunst) is vervallen en met Malraux zeg ik: 'J'appelle artiste celui qui invente des formes et artisan qui les copie'. Een voorbeeld uit de tentoonstellings-zaal ter verificatie: In 1938 schilderde Paul Klee een aquarel, die hij de titel gaf: 'leuille de 'Domus', 'Graphis', 'Interior' en dergelijke publicaties worden aangegeven. Het werk sprak de vormentaal, die zonder Calder, zonder Picasso, zonder Mondriaan, Kan-dinsky of Klee eenvoudig niet zou bestaan. Het feit nu, dat ik kreeg, wat ik verwachtte, a fortiori, dat ik kreeg wat ik zelf — verondersteld dat ik daartoe de technische vaardigheid bezeten had — vóóraf had kunnen uit-tekenen of in maquette brengen, heeft mij stof verschaft tot veel overpeinzing. Of — zo zei ik tot mijzelf — is er op öit moment een nieuwe stijl aan het groeien, zodat het verklaarbaar is, dat mijn ontwerpers, die kunstenaars zijn, dus makers, de incarnatie bewerkstelligen in plastisch materiaal van wat ik — deelgenoot aan hetzelfde collectivum sensibile als zij — alleen maar denk en voel; óf al deze mensen zijn louter imitatie-ve talenter,, 'artisans' in de zin van Malraux. heid. De geschiedenis van de afgelopen eeuwen leert, dat zulke heroën de laatste eeuwen voornamelijk werden aangetroffen onder schilders en beeldhouwers, minder onder ontwerpers. Professor Giedion geeft in zijn 'Ruimte, Tijd en Bouwkunst' twee voorbeelden, waarbij de schilder zich met name tot de architect verhoudt als de profeet tot zijn discipel. Het eerste is dat van de schilder Masac-cio, die in de Santa Maria Novella te Florence als achtergrond van een 'Drievuldigheid' een overlangs tongewelf schilderde, dat anticipeerde op het voornaamste gewelfbouwprobleem der bouwmeesters uit de Renaissance. Het werd geschilderd in een tijd (omstreeks 1425) waarin er nog geen enkel Renaissance-interieur voltooid was. Giedion's tweede voorbeeld is dat van de cubisten. Deze schilders hebben als eersten gestalte weten te geven aan het naar het beeldschrift gesproken — hier sprake moet zijn van niet minder dan een noodgebied. Enkele kenmerkende trekken van het stads-proletariaat moeten niet alleen op rekening geschreven worden van de armoede en kapitalistische uitbuiting, maar zijn rechtstreeks af te leiden uit de verstokenheid van bedoelde bevolkingsgroep van enig zichtbaar teken van beschaving. Dat het volk eeuwenlang geen toegang had tot de schilderijen-collectie heeft misschien minder verarmend gewerkt dan het feit, dat aan de vórmen, waarmee het te maken had in het dagelijks leven langzamerhand alle zin, alle leven, alle symboolkracht ontnomen werd. Het is niet voor niets, dat de Westerlingen aan het begin van deze eeuw bezeten raakten van de nek-steuntjes, kammetjes, speren, gordels etc. van -de? negers. Al deze voorwerpen, die het dagelijks fci ^HHRseBBBHBI fttiATBt. ligie samenvielen, is voortaan alles wat zich in de geschiedenis zal aandienen als waarachtige vormgeving voorgoed geheiligd. De latere Griekse amphora, het voorwerp waarmee de Grieken dagelijks te maken hadden kon het symbool van de gehele Helleense beschaving worden. Het theekopje van de Chinezen heeft ergens iets te maken met de gedachte, die La-ot-se. en Kong-foet-se op papier brachten en in iedere cultuur zijn dergelijke voorwerpen aan te wijzen. Zij werden gemaakt door ambachtsliedén, die tegelijkertijd meditatieve en originele geesten waren. Het is duidelijk dat ik het initiatief van Jongejans een belangrijk initiatief vindt, omdat de krant een van de voornaamste onderdelen vormt van het decor onzer technologische samenleving, een decor, dat zijn relatie met het transcendente nog zal moeten vinden. Degene, die zich bezig ÜHÜMHHH »Ïb v^vvaüivtïmnö prvan. rli'p.-
net terrein Dl) net Amsteistation, zullen we beschouwen als aanloopjes, om tot de juiste schaal voor zo'n gebouw te komen en een goed overzicht te krijgen van de vele eisen. Er wordt nu van twee kanten uit gewerkt: Van de zijde van Directie en leraren, en van de kant der adviserende architecten Merkelbach en ondergetekende. Een goed overwogen lokalenplan moet, wat vloeroppervlak betreft, in een constructieplan passen; d.w.z. economische kolomafstanden en afmetingen van de lokalen leiden tot een zelfde maateenheid. Zo'n maateenheid, die ook verticaal kan worden toegepast, geeft aan de overigens vrije planning van een gebouw, verantwoorde en rustige verhoudingen met mathematische zuiverheid. Een goed doorgevoerde maateenheid is ook bevorderlijk voor de mogelijkheden tot het gebruik van fabriekmatig vervaardigde bouwelementen. Het gebouw zou, behalve de begane grond, 2 verdiepingen moeten krijgen en een onderverdieping voor berging van rijwielen en materialen. De werkplaatsen zouden liggen buiten het hoofdgebouw; zij krijgen dan evenals de tekenzalen, bovenlicht vanuit het noorden. De straatzijde is Noord; aan de Zuidzijde zou wenselijk zijn een door conciërgewoning en werkplaatsen beschutte hof of tuin; misschien is daar ook de dagelijkse ingang te projecteren. Behalve bij de meer gesloten theorielokalen moet getracht worden naar openheid van hal, trappenhuis gangen en werklokalen; 't gaat hier om beoefening van het visuele; goed zicht en overzicht lijkt me hierbij wenselijk; dit betekent natuurlijk geen onrust en gehorigheid, maar het overzicht ligt hier gunstiger, dan b.v. in een muziekschool, waar nooit genoeg geïsoleerd kan worden; het geluid, dat daar beoefend wordt is daar storend voor de afdelingen onderling, terwijl hier de verschillende afdelingen door zichtbaarheid stimulerend voor elkaar kunnen zijn. De interieurs zullen neutraal moeten zijn, maar in alle eenvoud aan de wetten der binnenhuiskunst vah eigen tijd moeten voldoen. Ook zal het gebouw een voorbeeld moeten zijn van duidelijk uitgesproken eenheid van binnen en buiten, zonder opgelegde representatieve vormen. Ik zie het exterieur als een gaaf rhyth-misch betonskelet, niet verder bekleed, dan voor goed onderhoud en aangenaam gebruik wenselijk is. Het terrein lijkt gunstig voor uitbreiding in Zuidelijke richting. Het zal voor een groot deel van de activiteit der studerenden afhangen of vergroting binnen afzienbare tijd nodig zal zijn. Het oude gebouw heeft de groei op knellende wijze tegengehouden; het vergde ook van de zijde der leraren veel energie de verbeelding voor het nieuwe levend te houden. We stellen ons voor dat het nieuwe gebouw de verschillende vakken zal stimuleren tot een levend geheel, dat z'n aandeel zal hebben in de internationale ontwikkeling van de vormgeving van onze tijd. Utrecht. G. Rietveld, Architect. FERDI. Ferdi, of Ferdina Janssen, zoals zij vroeger heette, is de vrouw van Shinkichi Tajiri. Ook zij studeerde in Parijs bij Zadkine, tot zij op een tentoonstelling van Tajiri's werk, deze beeldhouwer zelf ontmoette en hem vroeg of hij haar les welde geven. Shinkichi stemde toe, en zij werd zijn eerste leerling. Anders dan Zadkine, liet hij haar zelf werken, en hielp Jiaar alleen als zij er om vroeg, Zo ontwikkelde zij haar eigen stijl, die (hoe kan het anders?) toch duidelijk op Tajiri geinspireerd bleek. Ook Ferdi gebruikt bij voorkeur ijzer, omdat zij het een edel metaal vindt. Edel in de rechtstreekse betekenis van het woord. "Ik maak juwelen in ijzer," zegt Ferdi. Eerst gaf dit aanleiding tot verwarring: wij meenden dat zij edelstenen in ijzeren zetting maakte, en wij waren benieuwd naar het effect van dit contrast. Maar het mocht niet zo zijn. Het woord "jewels" was in de conversatie geslopen door de Engels-Nederlandse toon van het interview. Ferdi is dus een waardig leerlinge van Tajiri gebleken, wat haar materiaal betreft. Maar ook in de vormgeving ervan deelt ze zijn standpunt. Zij zegt: "Ik wil dat mijn sieraden agressief zijn, niet lief, niet zoet, maar krachtig. Een diamanten oorhanger staat mooi onder een donker houdt, niets dan een kostbaar dingetje. Ik wil dat mijn sieraden voorwerpen zijn met een eigen bestaansrecht, onafhankelijk van hun sierende functie". Er zijn vrouwen, die, als ze een paar oorhangers van Ferdi zouden dragen, er uit zouden zien als middeleeuwse zondaressen, aan wie een vreemdsoortige straf is opgelegd! Maar wij kunnen ons voorstellen, dat bij bepaalde types Ferdi's sieraden het effect zouden hebben van een mystiek parfum, dat de draagster er van boven het gemiddelde verheft. Ferdi combineert het ijzer vaak met stukjes gekleurd glas en soms email. Maar dit laatste heeft zij inmiddels al weer afgezworen, als zijnde te "lievig", hoewel het o.i. wel charmant was. Hierover ontstond een klein debat, wij vroegen of het niet de eerste eigenschap van een sieraad diende te zijn, dat het sierlijk was en niet in de eerste plaats opvallend of agressief. Hierop zei Ferdi gedecideerd: "Ik wil niet terwille van de sierende functie mijn eigen begrip van schoonheid geweld aandoen. Ik wil dat mijn sieraden niet alleen als zodanig mooi zijn, maar dat zij hun dracht niet verliezen als ze in de hand gehouden worden of aan de muur gehangen. De versiering komt in de tweede plaats." in Europa voortzetten, waar hij in Parijs de lessen volgde van Zadkine en Leger. Ik heb veel van hen geleerd, zegt hij: "maar ik kon er niet lang blijven want zij beinvloedden mijn werkte veel. Ik werdge-dwongen Zadkine- en Leger-imitaties te maken. En nog slechte imitaties ook." laat hij er met een glimlach op volgen. "Toch waren hun lessen erg interessant, De plastieken van Tajiri hebben altijd titels als: Strijd, Oorlog, Krijgsman. Dit is niet verwonderlijk als men weet, dat hij als frontsoldaat heeft gestreden in de tweede wereldoorlog. Hij ziet de oorlog en de strijd als symbolen voor de tijd waarin hij leeft. En de impressies die hij in de oorlog heeft opgedaan vinden hun vertolking in zijn plastieken. GEORG JENSEN SILVER. Georg Jensen Silver behoort tot deze eeuw. "The Times" in Londen noemde het vele jaren geleden "het antiek van de toekomst", maar nu, slechts vijftig jaar nadat de grote meester zelf zijn eerste werken bescheiden toonde aan een wereld, die bijna honderd jaar lang de dunne, smakeloze dingen van de groeiende machineeeuw had geaccepteerd, zijn de werkstukken van zijn smidse reeds klassiek geworden. Mensen in wie leeft de appreciatie van schoonheid en het begrip voor perfect vakmanschap, en verzamelaars en musea over de gehele wereld tonen zijn werk met trots. Georg Jensen Silver is een traditie. Het artistieke principe dat het "Leitmotif" is geweest in al het werk — schoonheid in gebruiksvoorwerpen — is nu nog even zeer geldig als vijftig jaar geleden, toen de beeldhouwer Georg Jensen zilversmid werd. Hij werkte samen met, en inspireerde de meesten van de kunstenaars die nu de traditie voortzetten en moderne waarden toevoegen aan het oude principe. Een nieuwe generatie groeide naast hem op en ontwikkelde geleidelijk een eigen artistiek karakter. Georg Jensen en zijn eerste medewerker Johan Rohde overleden beiden in 1935, maar de stroom van nieuwe ontwerpen, die de smidse uitbracht bevatte al jarenlang, onder de naam van Georg Jensen, het werk van jongere leden van een groep bezielde kunstenaars. Dezen zetten op hun manier nu de traditie voort, de traditie van "schoonheid in dagelijkse dingen". Chr. Ditlev Ravendow Een dure traditie? Ja. Handgesmede massief zilveren vöorwerpen kunnen niet anders dan duur zijn. Maar weinig dure dingen zijn ook werkelijk mooi. Er wordt veel gedaan aan industriële vormgeving. Men wil plastic zoutvaatjes, plastic slalepels en houten stoelen mooi maken behalve functioneel. Men bepaalt zich in de vormgeving te veel tot de goedkope dingen, als een soort "brood en spelen voor de armen". Maar hoeveel kristallen vazen en zilveren theeserviezen en porceleinen kopjes zijn, behalve duur, ook mooi? Onze appreciatie voor een cassette zilveren tafelbestek bepaalt zich meestal tot de prijs. Men is uit hoofde van zijn snobisme geneigd over de vormgeving er van niet verder na te denken dan "als je er maar aan kunt zien dat het duur is", en de decoraties van bloemenranken, krullen en druiventrossen langs de steel van uw bestek dienen hiertoe. Georg Jensen heeft hier vijftig jaar geleden verandering in gebracht. "Beauti-ful things for every day use" zijn door zijn toedoen nu ook binnen het bereik van mensen met een ruime beurs.
propaganaa aes coiiiivjaca . nti is zeel waarschijnlijk, dat dit blad nooit gefigureerd heeft op de omslag van een programma voor een circus, of een cabaret-voorstelling. Zou zulks wél het geval geweest zijn, dan zou dat het kunst-zijn van een dergelijk wérk niet in het minst hebben aangetast. En zélfs, indien Klee zich zijn leven lang met niets anders zou hebben bezig gehouden dan met het vervaardigen van zulke boek-omslagen, folders of affiches dan zou hij daarom nog geen haar minder voor ons de 'inventeur de formes' zijn, die hij nu is. Dit laatste is een gedachte, die ook Klee zelf wel niet geheel en al vreemd zal zijn geweest; in rekening genomen : zijn toetreden tot het lerarencorps van het Bauhaus, dat opgezet was als opleidings-instituut voor vormgevers. Het gebied van de z.g. gebonden kunsten in handen te spelen van de waarlijk creatieve kunstenaars en tegelijkertijd daarmee de z.g. vrije kunstenaar uit zijn isolement te verlossen was trouwens het grote ideaal van de oprichter van dat Bauhaus, Gropius. Er valt, dunkt mij, aan de zuiverheid en de innerlijke waarheid van dit ideaal niets af te dingen. Integendeel hebben wij de plicht in de practijk — zoals o.a. Le Corbusier deed -of in theorie — gelijk Read bekent te doen -dit ideaal uit te bouwen en waar te maken. Een der beste manieren hiertoe is te erkennen, dat de ideale toestand nog lang niet bereikt is, m.a.w., dat er onder de vormgevers, — die de moderne aesthetiek niet langer principieel als tweede rangs figuren ziet — nog maar zelden 'inventeurs 141 nei iaocaic -giVdi CICt vHSS .IV.JV l, die zich op de hoogte heboen gesteld van wat er op de hedendaagse tentoonstellingen omgaat. Zij zijn gevoelige, handige arrangeurs, ztker niet onintelligent en verre van onkundig. Maar........ zou het voor henzelf, absoluut genomen, enig verschil uitmaken, indien zij nu eens niet werkten in moderne trant, doch op de manier van de Jugendstil, of Van het neogotisch of in empiretrant. Waarschijnlijk niet. Maar zij wachten zich daar wel voor. Té goed weten zij dat hun succes staat of valt met hun kameleontisch vermogen de mode-kleur van de dag aan te nemen. Omdat hun de d ang naar eeuwigheid ten ene male ontbreekt richten zij hun activiteiten bij voorkeur op het ephemere, op exposities en jaarbeurzen en zo zij al interieurs inrichten dan maken die de indruk of zij geschapen zijn voor nomaden in plaats van voor mensen, wier kans op verhuizingen wel bijzonder gering is. Doch nogmaals. Met het bovenstaande is niet beweerd, dat de z.g. gebonden kunst qualitate gua achter staat bij de z.g. vrije kunst. Na\de grandioze serie vernieuwingen, die Europa sinds 1906 in de beeldende kunst aanschouwd heeft, zijn wij op dit moment beland in eeri windstilte, een meta-physisch vicuum, waarin zelfs het uitvoeren van een vrij eenvoudige artistieke opgave tot een zware taak wordt. 'L'art', zegt Malraux, 'Qui est toujours au service d'une transcendance (comprise dans le sens de valeur suprème), l'art est invention de formes, par la conquête d'un stylesur les styles ste eeuw baan breekt. Zij hebben een nieuw levensgebied, een nieuwe vormentaal, voor het gevoel ontsloten en werden daarmee exemplarisch voor de architecten en vormgevers, die zich tot op de d ig van vandaag nog steeds bezig houden met de ontwikkeling van soortgelijke gedachte.i. Dat Henri van de Velde, de grote vernieuwer van de Belgische architectuur, schilder was; dat Eric Gill, de voorman der typografen, beelden hakte; dat Le Corbusier zijn schilderkunst als laopratorium-werk aan zijn architectuur laat voorafgaan; dat tenslotte de JFranse boekkunst haar vernieuwing vooral dankt aan de schilders van Ecole de I*aris, d t wil in dit verband zo het een en ander zeggen. Bewijzen deze echter, dat aan diegene, die letters ontwerpen, kerken bouwen of bioscopen, kranten maken of auto's construeren altijd en overal de toegang ontzegd is tot de transcendentie, die de eigenlijke bron is van het beeldschrift der cultuur? En dat er dus toch sprake zou zijn van een hiërarchie tussen de kunsten? Nogmaals: nee. Wij weten — de historische omstandigheden) die dat veroor-, zaakten, moeten hier (onbesproken blijven — dat het z.g. kunstambacht eeuwenlang van zijn beste krachten gedraineerd is geweest. Het kon zijn relatie tot het levende symbool niet meer vinden, waarschijnlijk wel het mee^t, omdat het als afgescheiden tak begon te existeren, los van het grote geheel en daarom sterven moest. De enige conclusie is dat daarin volken waren op een of andere wijze geladen met mysterie, met religie of hoe men het ook noemen wil. Wij vonden in Afrika iets dat wij zelf misten. Toen Gideon op te trekken had tegen de Midiamieten gaf Jahwe hem de opdracht een aantal weerbare mannén, te selecteren voor de op handen zijnde strijd. Nadat hem toegestaan was iedereen, die bang was van de vechtplicht te ontslaan, bleven er toch nog tienduizend man over. En Jahwe sprak tot Gideon: 'Er is nog te veel volk. Trek op naar het water, daar zal Ik er een keus uit doen. Van wie Ik zeggen zal: deze mag met U meegaan; en waarvan Ik U zal zeggen: deze mag niet met U mee, die mag ook niet met IJ meegaan.' Hij liet het volk optrekken naar het water en Jahwe sprak tot Gideon: 'Allen die het water ophalen met de tong, zoals een hond dat doet, moet gij afzonderen, ook die op de knie-en gaan liggen om te drinken.' Driehonderd man waren er die het water met de hand opslurpten, door de hand naar de mond te brengen; al het andere volk was op de knieëen gaan liggen om te drinken. Toen sprak Jahwe tot Gideon: 'Met de driehonderd mannen, die uit de hand hebben gedronken, zal ik U redden'. Ons Europeanen, die onze elité-troepen vanaf de dertig-jarige oorlog tot en met de doodskop-regimenten van de laatste oorlog steeds kozen uit het schuim van de mensheid, mag Jahwe's keuze op het eerste gezicht bevreemden. Waarom niet nen zich dus niet tevreden te stellen met het imitatieve, zoals tot nu toe overwegend het geval is. Zij zijn kunstenaars, 'inventeurs de formes', die zich de les ter harte moeten nemen, die Martin Buber neerschreef in zijn 'De weg van de mens' en die ik hier voor U citeer. Een Chassid vroeg den maggid van Zlo-czow: 'Er staat: 'Ieder in Israël is verplicht te zeggen: 'Wanneer zal mijn werk tot aan de werken mijner Vaderen, Abraham, Isaak en Jacob reiken?' Hoe moet dat opgevat worden? Hoe zouden wij ons durven vermeten te denken, dat wij onze vaderen zouden kunnen evenaren?' De maggid verklaarde: 'Zoals de .vaderen nieuwe wijzen van dienen in het léven riepen, ieder een nieuwe dienst volgens zijn eigen aanleg, de een dien der liefde, dé ander die der kracht, de derde dien der schoonheid, zo moet ieder van ons, elk op zijn eigen wijie, in het licht van de leer en van het dienen iets nieuws stichten en niet het reeds gedane, doch wat nog gedaan moet norden, doen'. Met iedere mens is er iets nieuws ter wereld gebracht, dat er nog niet was, een eerste en enig iets. 'Het is ieders plicht in Irael te weten en-te bedenken, dat hij in zijn hoedanigheid enig is ter wereld en dat zijns gelijke nog niet op aarde is geweest, want ware zijn gelijke reeds hier geweest, hij zou er niet behoeven te zijn. Iedere enkeling is een nieuwe verschijning op aarde en zijn taak is het, zijn aanleg te vervolmaken in deze wereld. Want waarlijk: dat cL ïtL V / aaaaaee e eejeoe oo oc ccc V V aaaaa e eeeee ee o ooo ooo ooc de formes' worden aangetroffen. Onder de vrije schilders evenmin, zal men zeggen en natuurlijk is dat waar. Het kan echter door iedereen geconstateerd worden, dat het 'leven der vormen' (in Focillon'se zin), dat zich thans voor onze ogen afspeelt, eerder verwekt is door schilders (de cubis-ten en Mondriaan o.a.) dan door ontwerpers. Het is mij enkele malen gebeurd, dat ik had op te treden in de functie, waarvoor de Amerikanen het grote woord 'art direc-tor' bedacht hebben. De omstandigheden en mijn speurzin — moet ik toegeven — hebben elkaar daarbij nog al aardig in de kaart gespeeld, zodat ik van de kunstenaars, aan wie ik werk te verstrekken had, steeds kreeg, ^wat ik ongeveer verwacht had. Zij bleven niet beneden het niveau zoals dat tegenwoordig ongeveer door qui 1'ont précédé', en om deze transcendance gaat het nu juist, óók bij het ontwerpen. Er bestaat, ook waar het de vormen betreft, nu eenmaal geen geboorte uit het niets of uit louter nut. Elke vorm maakt deel uit van het beeldschrift, van de tekentaal, die de mens met het heelal verbindt. Steeds als deze taal versleten was is de mens er in geslaagd de lege hulzen van zich af te werpen ~en zich een nieuwe vormwereld te scheppen, waardoor hij het contact met God weer kon opnemen. Vormen echter, die aldus begrepen, de incarnatie zijn van een beweging in het geestelijke leven van de mensheid, oefenen een tyrannieke invloed uit. -Zij danken hun ontstaan aan een krachtige persoonlijkheid en hun dictatuur is slechts te breken door een even krachtige of nóg sterkere persoonlijk- verandering moet komen en het is precies deze conclusie, die én Van de Velde, én Gropius, én Le Corbusrr én zelfs Picasso al getrokken hebben. Het zou zelfs bevreemden indien déze helderzienden, die er stuk voor stuk getiigenis van hebben afgelegd, dat het lot van hun medemensen hen nog méés bekommerde dan hun kunst, deze conclusie niet gjetrokken hadden. Immers, de monsterachtige uitbreiding van het publiciteitswezèn, de met fantastische cijfers gestegen Ibehoefte aan woningen en de inrichting daarvan, de massa productie van gebruiksvoorwerpen, al deze rompslomp van dit technologisch tijdperk, waaraan de farulteit, die wij ontwerpen noemen nog rriiar nauwelijks aan te pas gekomen is, soelen zo'n allesbeheersende rol in het dagelijkse leven van de enkeling, dat — nakr de vormentaal, de barbaren gekozen, die hun 'lippen als honden' bij het water brachten, zouden dat geen feller vechtjassen geweest zijn? Jahwe koos de kleine avant-garde, die getuigenis aflegde van beschaving, die zich een köm vormde met de handen. Zij zouden weten waarvoor zij vochten, niet tot bestendiging van hun dierlijk voortbestaan, maar ter verdediging van een beschaving. In de spanning, die aan iedere slag voorafgaat, vergaten zij niet de nodige eerbied aan de dag te leggen voor het water dat Jahwe hen geven wilde en voor hun vermogen om aan hun respect voor het geschapene, een vorm, de vorm van een kom, te geven. Deze vorm, deze kom was de incarnatie van het beste dat er in de besten leefden, die rond Gideon verzameld waren. Met dit moment, waarop creatie en re- dit niet geschiedt, zulks is wat de komst van de Messias vertraagt'. Dit enige en uitzonderlijke is het, dat ieder vóór alles is opgedragen te ontwikkelen en vorm te geven, niet echter, nog eens te doen wat een ander, al is het de grootste, reeds heeft verwezenlijkt. 'De wijze Rabbi Bunam zeide eens op hoge ouderdom, toen hij reeds blind was: 'Ik zou niet met vader Abraham willen ruilen. Wat zou God er aan hebben, indien aartsvader Abraham gelijk den blinde Bunam zou worden en de blinde Bunam gelijk Abraham?' En met nog grotere kracht is hetzelfde naar voren gebracht door Rabbi Susja, toen deze kort voor zijn dood zei: 'In het toekomende Rijk zal mij niet gevraagd worden: 'Waarom zijt gij niet Mo-zes geweest?' Mij zal gevraagd worden: 'Waarom zijt gij niet Susja geweest'. B. Majorick
vervolg van pagina 1 Wat zou nu, als je pas van school komt het beste zijn; free-lance (met je hele gebrek aan ervaring), of tijdelijk in dienst van een bedrijf om het klappen van de zweep te leren kennen? Ook hierover liepen de meningen uiteen. Een ontwerper zegt: 'Ja het is wel beter, eerst een baan te nemen om wat door de wol geverfd te raken, maar vaste dienst in een bedrijf werkt vervlakking in de hand. Het gemak van een vast inkomen zou er toe kunnen leiden dat je in het bedrijf gaat vastzitten. In principe is dit niet verkeerd, want een ontwerper richt zich toch meestal, volgens zijn aanleg, naar een bepaalde kant van het vak. Maar als je je bepaalt tot één onderwerp, is de verleiding sterk, om je belangstelling ook nergens anders meer op te richten.' 'Probeer geestelijk vrij te blijven van een bedrijf, d.w.z.; verdiep je er wel in, maar blijf er veel andere interesses naast houden. Doe b.v. ook free-lance werk. Blijf levend, dat is de eerste eis voor een ontwerper.' En een opdrachtgever(l) zegt: 'Het zich volledig inwerken in een bedrijf is de (kunstzinnige) dood van een ontwerper. Hij 'ver-technischt' en vervlakt, zijn werk wordt steeds perfecter, maar steeds vervelender.' Maar een ontwerper(l) zegt: 'Inwerken in een bedrijf kan steeds beter werk opleveren. Het gaat niet om fantasie, maar om kennis.' Er zijn veel verschillende standpunten: 'Ga eerst op een drukkerij werken, niet alleen om technische kennis op te doen, maar ook om gevoel en liefde te krijgen voor de hele ver- u de nieuwe school Iets te vertellen over het nieuwe gebouw, waarin straks, hopen we, de opleiding in de vakken der oude school zoveel beter en prettiger zullen verlopen, en waarin dan ook meer gelegenheid zal zijn zich te oefenen in de vormgeving der industrieproducten, is nog steeds enigszins voorbarig. Van het terrein bij het Amstelstation is nu definitief afgezien, maar het rustiger terrein bij het stadion is, voorzover mij bekend is, nog niet aangekocht. Hoewel reeds vele besprekingen hierover met de stedebouwkundigen en heren van het grondbedrijf zijn gevoerd, (nu ook met een voorlopig ontwerp erbij) schijnt de prijs nog niet geheel vast te staan, en mag de eigenlijke opdracht tot het maken van een ontwerp nog niet worden gegeven, wat niet zeggen wil, dat er nog niets is gedaan. De schetsen en architectuurstudies voor zorging van het drukwerk.' 'Ik kan jullie aanraden om eerst op een reclamebureau te gaan werken, daar valt enorm veel te leren.' 'Ga liever op een drukkerij werken dan op een reclamebureau.' 'Op een reclamebureau moet je nóóit gaan werken!' Wacht nu eens even! Hoe zit het toch met dat reclamebureau, dat met evenveel klem wordt aanbevolen als afgeraden? De chef van zo'n bureau: 'De tekenaar komt hier in de laatste plaats, na de marktonderzoeker, de copy-writer, de lay-out-man. Hij heeft meestal een zeer nauwkeurig omschreven opdracht uit te voeren. Jonge tekenaars komen hier vaak met een heleboel nieuwe ideeën, maar.... er zijn weinig mensen die houden van de moderne richting in de reclame. De klant betaalt. Er is nog nooit een ontwerp ongeschonden goedgekeurd. We hebben een jaar nodig om ontwerpers tot bruikbare krachten af te richten, pardon, óp te leiden.' Om te zien, wat een ontwerper over dit onderwerp dacht, spraken wij een oud-leerling die op een (ander) reclamebureau werkt. 'Ik werk hier op een bijzonder prettige basis. Als ontwerper ben ik aan dit bureau verbonden, maar ik werk als een free-lancer. Mijn baas, vroeger zelf ontwerper, gaat van het standpunt uit, dat je een ofitwerper vrij moet laten en alleen mag stimuleren. Voor de tekenaars hier ligt het wel anders,' Mogen wij hieruit concluderen, dat een tekenaar op een reclamebureau geen ontwerper is, maar een uitvoerder? ' maar wij werken hier allemaal met veel genoegen, en iedereen heeft hart voor de zaak. Mooi zo, maar: 'Ik heb hier wel een uitzonderingspositie.' Tot zover de reclamebureaux. Maar wat voor ervaringen doet een ontwerper op, als hij eenmaal te maken heeft met een opdrachtgever? Veel ontwerpers zeggen: 'Een opdrachtgever kan vaak niet onder woorden brengen, of is zich niet bewust van wat precies zijn bedoeling is.' 'Je moet altijd trekken en trekken tot je uit ze krijgt wat ze van je willen.' 'Het gebeurt ook vaak dat je opdrachtgever een reclame van een concurrerende firma heeft gezien, en er van onder de indruk is. Hij wil dan dat je ook zo iets maakt. Dit moet je hem dan uit het hoofd praten.' Een ander spreekt dit tegen; 'Je moet ze niets uit het hoofd proberen te praten, het lukt toch niet. Doe je eigen zin en meestal vinden ze dat toch mooier.' 'Een groot bedrijf zit vaak vast aan een zekere standing, die je voorganger heeft gevestigd. Als nieuw ontwerper is het dan vaak erg moeilijk om ze er van te doordringen, dat het ook anders kan.' 'Soms is tegenwerking ook wel stimulererd. De opdrachtgever is niet altijd in het ongelijk, en hij dwingt je soms onbewust tot een grotere doeltreffendheid, een grotere functionaliteit in je werk.' 'Sommige ontwerpers achten het een compliment als een ontwerp door de opdrachtgever wordt afgekeurd, als zijnde te progressief, of zo. Dit is onzin, een ontwerper is toegepast kunstenaar.' 'Als een opdrachtgever op ieder ontwerp een olifant wil, kan hij die krijgen, maar ik behoud mij het recht voor, om mijn olifant te maken.' Zijn er nu werkelijk zo vaak moeilijkheden als men ons wil doen geloven? Een ontwerper bij een uitgeverij zegt: 'Ach, jullie hebben zo'n verkeerde indruk van wat de practijk is. Je moet je een uitgever niet voorstellen als een soort boeman achter een bureau. Het gaat in werkelijkheid allemaal heel plezierig.' En de uitgever in kwestie doet een verhaal in de trant van: 'Zo, we gaan eens gezellig rond de tafel zitten, jongens. En we praten wat hoe we het hebben willen. De een zegt dit en de ander dat, en toch is iedereen het eens. Allemaal heel genoegelijk en dat wordt dan uitgevoerd. Fraai drukwerk, ontwerper tevreden, ik tevreden, publiek tevreden, iedereen tevreden.' Laat ie fijn zijn, maar een ontwerper zegt: 'Moeilijkheden zijn er altijd wel, al zijn je opdrachtgevers nog zo idealistisch, ze zijn altijd nog iets zakelijker.' We hebben zelfs iemand horen beweren: 'Mijn baas beschouwt mij als een soort tekenmachine om zijn afgrijselijke ideeën, die hij zo even verzint, op papier te zetten.' Daartegenover zegt een opdrachtgever: 'Mijn aesthetisch inzicht heeft de keuze van de ontwerper bepaald. Met die keuze heb ik te kennen gegeven, dat ik hem geschikt acht. Daarom laat ik hem daarna geheel vrij.' Een ontwerper zegt: 'Ik kan mij niet herinneren ooit moeilijkheden gehad te hebben over het doorvoeren van een ontwerp maar wel over de honoraria. Als er geen honoraria waren, had je nooit gedonder. Want al ken je je mensen nog zolang, ze zijn er altijd op uit, je voor zo weinig mogelijk, zoveel mogelijk te laten doen, wat overigens hun goed zakelijk recht is.' Dit weer in tegenstelling tot ontwerpers die dit onderwerp niet ter sprak ? brachten of zeiden nooit enige moeilijkheden op dit gebied te hebben gehad. Een opdrachtgever zegt nog: 'Moeilijkheden? In geval van ruzie wijt ik dat aan mezelf; dan ben ik te kort geschoten in mijn uiteenzetting.' (Betekent dat: 'heb ik hem niet genoeg gezegd, hoe 't mot?!) Tenslotte kregen wij nog allerlei raadgevingen mee. Van een ontwerper: 'Je moet je opdrachtgever weten aan te voelen.' Van een opdrachtgever: 'Een van mijn belangrijkste eisen aan een ontwerper is, dat hij zich in mijn standpunt weet in te denken.' Een ontwerper: 'Men moet opdrachtgevers kweken, zo wel door capaciteit als persoonlijkheid, en op den duur trachten in een vriendschappelijke verhouding tot ze te komen.' Maar dezelfde ontwerper zegt ook 'Blijf boven je opdrachtgever staan door zijn meerdere te zijn in algemene ontwikkeling.' (Nou, nou, we mogen wel hard aan de gang.) Wij hebben veel mensen horen spreken en van onze eerste voorstelling van de praktijk is weinig overgebleven. Maar er is ook niet veel concreets voor in de plaats gekomen. Want ieder antwoord, dat we kregen, vond ergens een tegenspraak. Wie desondanks toch tot een conclusie wil komen, zal die zelf moeten trekken. * JL SHINKICHI TAJIRI. Een jonge beeldhouwer wandelde langs de Seine. Op een stortplaats van oud ijzer werd zijn aandacht getrokken door de grillige vormen van het materiaal en voor hij het wist, was hij bezig, de oneindig ge-variëerde vormen in elkaar te zetten. Het werden kleine figuren, mensjes, die onder zijn handen een geheel eigen bestaan schenen te krijgen, en kinderen die in de buurt speelden, kwamen kijken en vonden het prachtig. Zo vond ik mijn materiaal, zegt Tajiri en vervolgt enthousiast: „Ijzer is zo direct; de beeldhouwer vormt het helemaal zelf, en het heeft veel grotere mogelijkheden dan andere materialen. Ik heb het gevoel dat iets, wat van ijzer gemaakt is, ook werkelijk bestaat, terwijl een klei-gips- of zelfs steen-plastiek mij de indruk geeft van iets tijdelijks, van een schets." Tajiri is Japanner, maar hij is geboren in Los Angeles en heeft in Chicago gestudeerd aan de Academie. Met een beurs van de Amerikaanse regerina kon tui zijn studie maar eigenlijk hoofdzakelijk uit literair oogpunt; vooral Zadkine had een heerlijke fantasie en kon boeiend vertellen." Maar Tajiri wilde vrij zijn en zijn eigen stijl ontwikkelen, en hij begon voor zichzelf te werken in een eigen atelier. Inderdaad heeft Tajiri een heel eigen stijl gevonden. Zijn plastieken zijn zeer ruimtelijk, maar maken, op een afbeelding er van een grafische indruk. Na onze vraag, iets over de idee van zijn werk te vertellen, zweeg Tajiri eerst een tijdje .Om hem op gang te brengen vroegen wij hem naar zijn meing omtrent Marini. Toen kwam hij los: "Deze man maakt prachtige dingen; mooi, rustig en roerend van eenvoud. Maar ...." en weer zweeg hij even, "het is m.i. niet de eerste plicht van een kunstenaar om mooie dingen te maken. Een kunstenaar moet in de eerste plaats een exponent zijn van zijn tijd, hij moet het wezen van zijn tijd vertolken. Marini is eigenlijk niet van deze tijd; hij is verstild, hij heeft iets bereikt en HHt daarin." H
Details
- Inventarisnummer
- GR061
- Soort object
- Tekst
Maker
- Naam
- Gerrit Thomas Rietveld
- Geboorteplaats
- Utrecht
- Geboortedatum
- 1888-06-24
- Sterfplaats
- Utrecht
- Sterfdatum
- 1964-06-25
- Lees meer
- http://nl.wikipedia.org/wiki/Gerrit_Rietveld
Documentatie
Literatuur (1)
- De nieuwe school, G. [Th.] Rietveld 3 - 4

Reageren op het object