Uitgetypte tekst, beginnend met 'de groei der Uitgebreidheid..'Niet compleet. Aanwezig p. 7, 10, 11, 12, 15, 17
Uitgetypte tekst, beginnend met 'de groei der Uitgebreidheid..'Niet compleet. Aanwezig p. 7, 10, 11, 12, 15, 17
Rietveld(?).
Dit object is nu niet in het museum te zien
Toelichting
Inhoud tekst (op basis van OCR)
- 7 - De groei der uitgebreidheid ra de groei tui het "lk" la de verruini* der uitgebreidheid. Dit ongedifferentieerde gareel "weet te hebben Tra eigen bestaan", wordt doer oase zintuigen nadar ondereoheiden ia zichtbare, hoorbare en taatbare gewaarwordingen, die veer ep de wijze Tan het apeotrun worden gedifferentieerd. Voor het zichtbare betekent dit ruiste, kleur ra roragewaarwordingen die ia nillloenen oombinatiea ook aaaen net de geluide- en taatgewaarwordingra gestalte geven aan de uitgebreidheidi Se drie dimensies Tan de uitgebreidheid zouden ?luchtig zijn en eigenlijk niet beataan, als niet de Tierde dinenaie "tijd" Tia de herinnering era duur aan deze geatalte zou geren, die het aogelijk naakt vergelijkingen ra waardebepalingen te atellen, die uitgangspunten zijn voor het denken, weten en begrijpen. Ben lijn trekkend Tanuit het eerate niets - dit ia Tanuit het ongedifferentieerde gevoel dat bij het eerate ontwaken onderscheid maakt tussen het "ik" en het onringende, en Tia de onderacheidingen zichtbaar, hoorbaar ra tastbaar; ea Tia herinnering en talloze co«bi natiea naar denken en weten Toeren; een lijn die tenslotte bij het Tolledig weten ^n het laatate nieta of al zou uitlopen, ln deze lijn Tan bewustwording ligt de eohepplngadaad Tan ru late- vorm en kleur-realieatiea geheel aan het begin| selfa vóór de Tolledige bewustwording en het denken. Het is buitengewoon belangrijk wat ik hiernee wil zeggen; het ia ieta dat je natuurlijk niet kunt zeggen als gerolg Tan legiach denken, paar je kunt het alleen naar zeggen uit een soort ervaring. Ala we de plaata van de scheppingedaad geheel onder aan de lijn die tot bewustwording leidt in het oog houden, begrijpen wij dat kunstzin ep vooral ruintezin levensvoorwaarde ia; fundamenteel voor ons leven, Toedeel gerend aan de rerdere bewustwording ran het denken en niet een ijdele liefhebberij die ook wel geaiat zou kuniaa worden. Hierdoor ia teTena begrijpelijk dat bedachte Jcunstzinnig-heden imitaties zijn en gekunateldheden, die liggen in het intellectuele Tlak, waardoor ze net Kunst eigenlijk nieta neer te naken hebben, behalTe als zuiver herhaling. Wezens, dingen of hoe we andere groeperingen ook noenen die konen tot andere ingeateld onderaoheidagevoel, zullen deel zijn van een geheel andere werkelijkheid en beleving ra toch zullen ze zich hoogstwaarschijnlijk ook hoofdfiguur weten ia eigen werkelijkheid, zoala wij ia de onae. Hierdoor werdt oaa beataan, oaae traditie ra de hele werkelijkheid voor nij zo betrekkelijk. Tot zo ver die betrekkelijkheid.
./'Dat was o.a. het werk van Berlage. Na enige charmante plastische gevel-architecturen van de Amsterdamse school met soepele natuurlijke vormen, om aan de pogingen een grotere levenskans te geven, begonnen wij toch te begrijpen dat het in die vorm-fantasie'én niet zat. Het bleef architectuur der bouwmassa en een verzorging en verfraaiing ervan. Die verfraaiing van de bouwmassa was niet in staat de ruimte te veranderen* De ruimte moest geen middel zijn om een bouwmassa te kunnen maken (dit was het lust en het leven van iedere architect in die dagen), maar de begrenzing van de ruimjbe moest middel worden om de ruimte waar te maken» Laten we eerlijk bekennen dat de jongeren d|.e dat heel sterk inzagen toch die overgang niep konden maken. Daarom was het maar goedi dat wij met kleine dingen moesten beginnen. Als we het kleinste kastje wilden maken, zonder voet of bekroning, of zonder andere herinnering aan monumentaliteit, werd het doodgewoon een kist. Wij vonden het ook een kist, maar het kon niet anders, het moest zo zijn, want we voelden dat wij die hele monumentaliteit en traditie eenvoudig moesten loslaten. HBt voldeed ons ook niet, we moesten zelf er aan wennen, toch maakten we kisten; kisten van hout, van steen en soms wel van ijzer en glas Maar het bleven kisten en het heeft zeker wel 20 jaar geduurd eer zo'n kist als kastje ingang kon vinden in de woning jen in 4e maatschappij. Kistjes ziet U nu in rekken of doodgewoon naast, andere kistjes e| nu zijn het kastjes; en de kippenhok-arohitectuur van toen, die bedoeld was toor mensen, die worden nu woningen genoemd. Om als overgang en als studie even geheel vrij van traditie te komen, pril en zuiver genoeg om de aohtergrond en voedingsbodem te kunnen zijn voor het nieuwe' leven, moesten heel wat idealen worden bezongen en hartgrondig weer worden afgeleerd. DE STIJL en het BAUHAUS hebben hieraan veel gedaan. N De Stijl ging haast wetenschappelijk op zoek naar de elementen van het zien. Wij probeerden nl. om de allereenvoudigste dingen te vinden, de ondeelbare gezichtsindrukken, wij ontleedden het witte licht in 3 kleuren, waarvoor ons oog gevoelig is, en wij vonden dat de indruk rood een ondeelbare indruk was en dus een zuiver primair en elementair gevoel. Met die gevoelens werkten wij. Wij gebruikten dan ook niet de oirkel (alleen natuurlijk wanneer het niet anders kon), maar het vierkant, waarvan de omgeving gelijkwaardig is aan het vierkant zelf. Als U de lijnen van een vierkant doortrekt, dan is dat stuk dat naast dat vierkant staat of erboven, precies gelijkwaardig aan de oppervlakte van dat vierkant. Het kan natuurlijk wel groter of kleiner zijn, maar dan is de verhouding ook preoies in cijfers weer te geven. Bij een oirkel is dat niet zo, bij een kromme lijn ook niet. Bij een oirkel is er altijd een binnen en een uitgesproken buiten, en daaromi wilden wij daar voorlopig niet aan.
Het was gewoon onkunde dat wij dit niet gebruikten, want wij wilden net de allereenvoudigste en meest primaire dingen iets opbouwen totdat wij er zover mee vertrouwd waren dat wij er echt mee konden werken. Wij hebben dus alles tot in het meest eenvoudige teruggebracht en we hebben daar 10 jaar over gedaan. We hebben 10 jaar lang met deze primaire elementen dingen samengesteld, net zo lang tot wij wisten wat er eigenlijk mee . gedaan kón worden, dat wij het binnen en buiten gelijkwaardig konden maken, dat we dat in combinatie met elkaar konden toepassen, dat we het boven en het onder goed begrepen. We hebben er mee gewerkt, eigenlijk alleen maar om te leren. We hebben het met constructies ook proberen vol te houden; we hebben zelfs geprobeerd de uitdrukking van die constructie ruimtelijk, d.i. driedimensionaal te verwerken en te begrijpen; dit heeft 10 jaar geduurd. Het Bauhaus deed het anders. Die trachtte de vorm te ontwikkelen uit het zuiver stellen der functie. Met mijn zin voor het betrekkelijke, was die functie geen betrouwbaar uitgangspunt, zoals U begrijpt; die functie was een toevallig verlangen, die met de tijd zou veranderen en die ook steeds in de tijd verandert. Al was dit voor mij eigenlijk geen goed uitgangspunt, ik heb me er nooit tegen verzet; ik heb me zelf zelfs functionalist genoemd, omdat ik er toch veel in zag en ik zag die functie dus niet alleen voor vandaag, maar ik iag hem ook in de toekomst. Ha een studie van 10 jaar zweeg de Stijl; dé functie werd uitgangspunt voor het nieuwe bouwen. De 8 en "Opbouw" (dit is een tijdschrift dat de nieuw-zakelijken en functionalisten een tijd lang hebben volgehouden, tot aan de oorlog) hebben gewerkt voornamelijk naar het voorbeeld van het Bauhaus. In geen enkele ander land heeft men die opeenvolging vap architectuur zo doorgemaakt, ^ontwikkeld uit de oude stijlen, zoals Berlage dat dped, dat vereenvoudigen van de vormen, en de bouwmassa's, waar alle rococo-ideeön en stijl-chaotische dingen uitgehaald waren en daarna die tegenstelling! van de Amsterdamse school en daarna nog andere overgangs-stijlen. Zo hadden wij een ander functiona^ lisme dan het Bauhaus. Deze idee'ön hebben nog steeds waarde, ook voor deze tijd, doch het blijkt dat ook de Stijl - die toch al lang zwijgt - voor deze tijd tooh niet geheel gemist kan worden. Veel te vlug op allerlei gebied, maatschappelijk en op architectuurgebied, heeft men gemeend dat de vernieuwing er nu wel was, en hier en daar is men reeds aan een nieuwe barok begonnen. De bouwmassa-architectuur heeft na de tweede wereldoorlog nog veel sympathie gehad. Daar is geweest de Delftse school en daar is geweest een veel gevaarlijker soort van arohiteotuur, die veel moderner soheen en die het nodig vond om alle
kunsten samen te laten werken in 6ên gebouw en daar hebben ze voorbeelden van gemaakts neem b.v. het Provinoie-huis in Arnhem; Ik voor mij vind dat helemaal niet lelijk, maar het is niet bewezen dat dit de weg is voor onze arohiteotuur. In tegendeel, dit gebouw, hoe mooi het ook is, bewijst dat het niet kan. In ieder geval niet in onze tijd, maar dat het de stijl is voor een eindperiode en niet voor een beginperiode. Want degenen die onze tijd zien als een beginperiode zullen nu nog geen barok bedrijven in de architectuur. De andere plastische kunsten kunnen als vrije kunsten even goed hun plaats in en bij de arohiteotuur hebben; maar om ons vormen kleur bewust te maken kunnen die betexj niet worden belemmerd door opgaven die anderen dan de kunstena{u7 zelf aan hun werk stellen. De arohiteotuur, voorzover er van kunstzinnigheid sprake is, mSt de schilder- en beeldhouwkunst, de film en de fotografie, trachten het wezenlijke van! de nijeuwe tijd v4or ons uit te beelden, elk van eigen visie uit, odi ons jroor nieuwe jwerkelijkhejid open te itellen. Dan wil ik nog iets zeggen over kléur inj de arohiteotuur. Als we iets bouwen dan hebben de materialen die als begrenzing en constructie van de ruimte worden toegepast, een min of meer toevallig kleuroppervlak, door eigen materiaal kleur of door een beschermende laag, die er op moet komen. Het komt wel eens voor dat deze kleur de visuele ruimtewerking ten goede komt, maar in de meeste gevallen is dit niet zo. Dan kan de architect zo'n kleur neutraliseren door zwart, donker- en lichtgrijs en wit, al naar gelang een licht reflectie wenselijk is. Als ik het licht in een kamer wil brengen en het valt door een raam op een wand, dan zal die prand refleotievlak worden, voor dat licht en zal dat licht hierdoor vertier de kamer in worden gebracht. Wanneer ik die wand nu donker zou maken of zou beschilderen, dan zou dat licht erg vertroebeld worden. Het'is mJ zelfs wel gebeurd dat :ik een ruimke moest moderniseren, F f i l a 1 waarop op een hoekj twee jramenj warenjj, aanjelke kant van de hoek é&n. Het ae zonj die in hex viel me direct op, dat de zon, die in het ene raam scheen, direct door het andere raam eruit ging. Ik raadde die mensen aan dat raam dicht te f maken, waardoor ze meer licht zouden krijgen. Dat was natuurlijk een heel gek voorstel; het was me ook nog nooit gebuerd en we hebben het eerst ook maar eens geprobeerd door er een licht schot voor te zetten. Dit gaf werkelijk een bijzonder groot effect. We hebben dus dat raam inderdaad dicht gemaakt. Het ligt dus niet altijd aan de hoeveelheid ramen, maar veel meer aan het reflecterend oppervlak van enkele wanden. Wanneer dus de architect weet welk vlak in de ruimte licht moet zijn en welk vlak
«orden veranderd op een basis waarvan wij zelf de consequenties nog niet konden overzien. San wil ik nog iets zeggen over maatvoering in d« architectuur. Ik zeg die dingen allemaal als voorbeelden, waaruit misschien de achtergrond van mijn werk een beetje duidelijker wordt. Dit lijkt misschien eerst een beetje erg filosofisch, maar het komt in al die dingen tot uiting. Niet alleen de prefahrication, maar ook de klaarheid der ruimtewerking is gebaat bij een strenge doorvoering van een eenheidsmaat. Het is een soort schaalaanduiding die door het gehele werk heenloopt. Ook bij de practische toepassing van gelijke onderdelen is men natuurlijk gebaat bij een eenheidsmaat. Nu moet die eenheidsmaat voor de ontwerper zo groot mogelijk zijn om werkelijk overzichtelijk te blijven. Het moet een grote maat zijn die moet kunnen worden opgedeeld voor de toepassing van de onderdelen, welke onderdelen natuurlijk en elk ander gebouw ook moeten passen. Het is moeilijk om nu te zeggen wie die maat zal aangeven. ?Is we nog een Napoleon hadden, zou die het wel even doen. Wij kunnen dit zo niet voorschrijven. Er is veel oefening nodig om met zo *n maat-eenheid werkelijk vruchtbaar te kunnen werken. Goe^begrepen en werkelijk streng doorgevoerd weiken vÜlgene' maateenheden geeft aan het bouwwerk een kristallen helderheid} ook bij de allereenvoudigste bouwsels. Als U een gebouw, ziet,j dat Streng volgens ee$ maatpenheijl is gemaakt, dan ziet U eigenlijk aan dat gibouw hiets, maariU ondergaat' een helderheid die U nergens anders vindt. Dit moet niet alleen in de lengte en breedte zijn, maar ook in de hoogte. En het is heel duidelijk merkbaar, zonder dat je het ergens kunt aanwijzen, je vindt het soms nergens in terug. Het is voornamelijk ook deze helderheid die het eigenlijke wezen van onze tijd en die der naaste toekomst op de juiste wijze verbeeldt. Dan wil ik nog iets verder ingaan op de overwegingen die zich bij het ontwerpen van architectuur voordoen, vooral omdat ik vrees toch al veel te theoretisck te ati jn geweest; Nu moet U iniet denken dat dit nu 1 ? I i ? f i zo erg populair is, wkt ik ga zeggen, Want het is eigenlijk alleen maar I i • belangrijk voor architecten die zelf werken en die daar over nadenken. Behalve het technisoh voldoen aan de gestelde eisen van het gebruik, krijgt het gebouw binnen een ruimtewerking naar eigen aard. Buiten wordt het een begrenzing en sfeerbepaling van de omgeving. Je kunt zeggeni nu, dat moet dan maar zo gebeuren, dat gaat dan vanzelf, ik zal wel zien wat het wordt. Dit k&n een zuiver standpunt zijn en bij een werkelijk gezonde opzet van de construotie tot een duidelijk resultaat leiden.
Biet natuurlijk met een bepaald begrip, maar als een soort vormentaal. Ik kan het niet anders uitdrukken, het is een woord dat er misschien wel een beetje naast staat, maar het is de enige manier om to zeggen wat architectuur ons doen kan. We ondergaan het allemaal als wij op een marktplein of in een brede straat, door een smalle straat, op een brug of door een steegje lopen,dan voelen we die vormentaal wel en noemen dat woord misschien helemaal niet, maar ondergaan het wel. En om dat goed tot z'n recht te laten komen (dit te maken zoals het moet zijn) in het karakter van het gebouw, is werkelijk een stuk architectenwerk. Hiermee is natuurlijk niet alles gezegd, want het geval is veel te eenvoudig voorgesteld. Er zijn taalregels, er zijn ook regels voor de vormenspraak, die geen voorschriften zijn, maar voortkomen uit de capaciteiten van ons waarnemingsvermogen. Dat klinkt natuurlijk een beetje gek, maar die capaciteiten zijn niet erg groot. Als U een aantal geldstukken op tafel gooit en neemt er, latenwe zeggen, drie, dan hoeft U niet te tellen, dan kunt U onmiddellijk zeggen dat zijn er drie. Gooit U er vijf, dan hoeft U meestal ook niet te tellen, want U ziet er vaak drie bij elkaar liggen plué twee, maar gooit U er zes, dan liggen ze wel eens verkeerd, dan ligt er wel eens vier en twee en dan moet U even tellen en wordt het al iets moeilijker. Gooit U er nog meer, dan heb je wel eens dat er drie naast drie komen te liggen en dan is het nog wel te overzien. De grens is drie maal drie. Als ze dan een beetje verkeerd liggen moet U gaan tellen om te zien dat het er negen zijn. En het is precies zo bij een gebouw: als ü een gebouw bekijkt en er zijn meer dan 9 elementen aan, kie afzonderlijk fiets doen, die dus samen de vormentaal moe jen ui ;sprekbn, din is dit onaangeijaam om te zien door de onoverzichtelijkheid. Als die groepetingenj dan efen beetje willen meewerken door een verschil in materiaal, dan gaat het nog wel eens goed, maar anders wordt het te druk. Het gevolg is dat samenstellingen, waarbij veel onderdelen voorkomen, een onoverzichtelijk beeld geven en daarom onprettig zijn om naar te kijken. Een groepering van ongelijkwaardige elementen door maat en materiaal verschil kan nog onduidelijker worden, maar het kan ook zijn dat die groepering toevallig een bundeling geeft. Het donker of lioht van de materiaalkleur kan hierbij ook veel mee- of tekenwerken. Het zien wat een ding bedoelt te zijn, een visueel corrigeren, is niet ieders vak. Het zijn de meest interessante kanten van ons vak. Een oonstruotie heeft een eigen uiterlijk, maar nu kan men zeggen» het is niet de oonstruotie die het uiterlijk moet bepalen, maar de funotie van het gebouw, (dat noemen we een representatief en het is eigenaardig dat wij een tijd lang hebben gemaand dat dat nodig was.
Details
- Inventarisnummer
- D395
- Soort object
- Documentatie, tekst
Maker
- Naam
- Rietveld(?)

Reageren op het object